Rhijnvis Feith.
Om zijn grote gezin, maar ook de knechten en meiden
onder te brengen, liet hij aan weerszijden van het hoofdgebouw een vleugel
aanbouwen. Tevens kwam er een verdieping op het hoofdgebouw.
Met de buren, de familie Gelderman, die op het landhuis
Landwijck woonde, hadden Rhijnvis en Ockje een goede band. Rhijnvis maakte deel
uit van het stadsbestuur, had vele bestuurlijke functies, mengde zich in de
politiek, was ouderling in de gereformeerde kerk, maar toch hield hij niet van
het stadse leven.
Een bekend gedicht van zijn hand is, die je misschien kent:
Uren, dagen, maanden, jaren
Vliegen als een schaduw voorbij;
Ach! We zoeken, maar waar we staren,
Vinden we niets dat blijvend zij!
Hij schreef sentimentele gedichten vol emoties, zoals
liefde en verdriet, met vaak een moraliserende boodschap over deugdzaamheid en
vergankelijkheid. Zijn werk was religieus getint, idealiseerde de natuur en
gevoelens, en volgde strikte, klassieke vormregels.
Onder Feith veranderde
het landgoed. De formele tuinen maakten plaats voor een Engelse landschapstuin
met slingerende paden, vijvers en heuvels. Er werden exotische bomen en
struiken geplant, en je kon er lange wandelingen maken door wat aanvoelde als
een ongerept natuurgebied. Dit alles was bedoeld om een gevoel van rust en overpeinzing
op te wekken, en dat lukte. Feith bracht hier uren door, wandelend onder de
hoge bomen, dromend en schrijvend over de vergankelijkheid van het leven en de
diepe emoties van de mens.
In het voorjaar stonden de rododendrons in volle bloei, en dan
was de tuin op zijn mooist. De bloemenpracht trok niet alleen Feith, maar ook
zijn vrienden en collega’s aan. Feith ontving op Boschwijk regelmatig andere
dichters, filosofen en denkers. Samen liepen ze door de tuinen, het park en voerden ze
gesprekken over kunst, literatuur en het leven zelf. In de verte hoorde je het
zachte gekabbel van het water in de vijver, terwijl het zonlicht door de
bladeren van de bomen scheen. De lucht rook naar gras en bloemen, en af en toe
hoorde je het gezang van een nachtegaal. Dit was de wereld van Rhijnvis Feith
op Boschwijk, een wereld vol schoonheid en rust.
Door een overstroming in het
jaar 1809 heeft het huis zware schade opgelopen. Naar aanleiding van een
dijkdoorbraak, schreef Rhijnvis Feith op 6 mei 1809, dat de gehele buurt onder
water was komen te staan.
"zoo dat zelfs het water
over de vier voeten in mijn huis stond, en ik nu druk bezig ben, met alles te
repareren, zoo ver zich dit doen laat, waartoe ik zeker met geen duizend
daalders toekom", aldus
Feith.
In 1824 overleed hij, maar
zijn erfenis leeft voort, niet alleen in zijn literaire werk, maar ook in de
romantische sfeer van Boschwijk, waar zijn geest nog altijd lijkt rond te dwalen.
De latere jaren
van Boschwijk
Een unieke oude
foto van rond 1850 – 1900
Na de dood van Rhijnvis Feith in 1824 ging
Boschwijk door loting over naar zijn zoon Everhard Eiso Christoffel Feith.
Waarbij twee heren
te zien in de tuin bij de voordeur.
In 1849 ging het over naar Ontko Rhijnvis, in 1914 naar zijn neef
Everhard Oosting en in 1918 naar neef Hiddink. Hoewel het herenhuis en de
tuinen in de loop der jaren veranderden, bleef de romantische sfeer die Feith
had gecreëerd altijd voelbaar.
Rond 1850 werd het
prachtige prieel gebouwd. Dit ligt aan de voorzijde van het huis, aan de
rechterkant, en kijkt uit over de vijver.
Een van de nazaten
van Feith. Ze draagt hier een
hoepelrok.
De klokkentoren dateert uit 1880 en functioneert
tot op de dag van vandaag nog steeds, met een prachtig helder geluid.
Vanaf 1920 kwam de familie
Steen er wonen met hun drie kinderen. Een van hen was de (later) bekende
kunstenares Tineke Willemse-Steen. Zij maakte het beeld in de vijver voor het
huis.
De Tweede
Wereldoorlog
Over de periode tijdens de
Tweede Wereldoorlog is weinig bekend. Er waren geen Duitsers ingekwartierd,
zoals je misschien hier zou verwachten. Wel werden er onderduikers verborgen.
Zij werden verstopt in een kleine ruimte bij de klokkentoren. Tijdens een
onverwacht bezoek van de Duitsers, ging de vrouw des huizes, snel op het bed
zitten met haar baby op schoot.
In dit bed hadden de onderduikers geslapen en
het was nog warm. Ze zag de Duitsers aankomen en in de tussentijd wreef ze zo
veel mogelijk over de wangen van haar baby, waardoor deze vuurrood werd. Bij
binnenkomst van de Duitsers vertelde ze direct dat haar kind erg ziek was.
Wetende dat de Duitse bezetters zeer beducht waren voor ziektes als tyfus en
cholera, vertrokken de Duitsers snel, en waren de onderduikers veilig.
wordt vervolgd
Marianne ten Klooster